Stuwmeren met een geschiedenis
De Morvan is granietland: water zakt er nauwelijks weg en stroomt via beken naar de Yonne en de Cure, die verderop in de Seine uitkomen. Dat maakte het gebied geschikt voor stuwdammen. De oudste diende het houttransport naar Parijs, de jongere zijn gebouwd om hoogwater in het Seinebekken te dempen en water op te slaan. De zes grootste worden samen de Grands Lacs du Morvan genoemd.
| Meer | Oppervlakte | Aangelegd | Rivier | Departement |
|---|---|---|---|---|
| Lac de Pannecière | 520 ha | 1937 tot 1949 | Yonne | Nièvre |
| Lac des Settons | ca. 367 ha | vanaf 1854 | Cure | Nièvre |
| Lac du Crescent | 165 ha | 1929 tot 1932 | Cure en Chalaux | Nièvre en Yonne |
| Lac de Saint-Agnan | 140 ha | 1969 | Cousin | Nièvre |
| Lac de Chaumeçon | 135 ha | 1933 tot 1935 | Chalaux | Nièvre |
| Lac de Chamboux | 75 ha | 1984 | Ternin | Côte-d'Or |
Lac des Settons
Het bekendste meer ligt op 586 meter hoogte, ten zuiden van Montsauche-les-Settons, en heeft een omtrek van ruim dertien kilometer. De dam van granietblokken werd gebouwd om de Cure op te stuwen voor de flottage: stammen uit de Morvan werden in het voorjaar losgelaten en dreven via Cure en Yonne naar Parijs, waar ze als stookhout dienden. Die handel verdween in de loop van de negentiende en vroege twintigste eeuw.
Tegenwoordig is Settons het meer voor zeilen, kano en waterski, met campings en een wandelpad rondom. De GR 13 komt er langs. Het water wordt van november tot juni vastgehouden en van juli tot oktober geleidelijk vrijgelaten, zodat het strand aan het eind van de zomer breder wordt en sommige inhammen droogvallen.
Lac de Pannecière
Het grootste meer, 520 hectare en ruim 82 miljoen kubieke meter, ligt bij Château-Chinon. De dam kwam er na de overstroming van Parijs in 1910 en werd in 1949 voltooid. Bij het vullen verdween het gehucht Pélus onder water. Het peil kan over het jaar tot 25 meter verschillen: in de winter wordt water vastgehouden tegen hoogwater, in de zomer wordt het afgegeven tegen droogte. Motorboten zijn beperkt tot 6 pk, wat het meer stil houdt. Vissers komen er van april tot oktober.
De kleinere meren
- Crescent en Chaumeçon liggen in het noordelijke deel, in de richting van Avallon en Vézelay, in diepe dalen met steile oevers.
- Saint-Agnan aan de Cousin werd in 1969 in gebruik genomen en is met 140 hectare iets groter dan Chaumeçon.
- Chamboux is het kleinste van de zes en het enige in de Côte-d'Or; het ligt in het oostelijke deel van het park.
Voor wie het water op wil
- Zwemmen gebeurt op aangewezen strandjes; buiten het hoogseizoen is er meestal geen toezicht.
- Vissen vraagt in Frankrijk een eigen visvergunning, de carte de pêche, per dag, week of jaar verkrijgbaar.
- Door de peilwisselingen verandert de oever: een steiger die in juni aan het water ligt, kan in september op het droge staan.
- Het water blijft koel; de meren liggen tussen ruwweg 300 en 600 meter hoogte in een streek die natter en koeler is dan het omringende laagland.